Waterstanden

De waterstand is de hoogte van het wateroppervlak ten opzichte van een vast referentiepunt, zoals het NAP (Normaal Amsterdams Peil) of het KP (Kanaalpeil). De waterstand kan variëren door verschillende factoren, zoals getijden, wind, neerslag, verdamping en menselijke ingrepen. Het is belangrijk om de waterstand te kennen, omdat dit invloed heeft op de diepte en de brughoogte van het vaarwater.

Diepte

De diepte van het vaarwater is de afstand van het wateroppervlak tot de bodem. De diepte kan worden aangegeven op de waterkaart, op de peilschaal of op de betonning. De diepte op de waterkaart is meestal de gemiddelde laagwaterstand, die afhankelijk is van het referentiepunt. De diepte op de peilschaal is de actuele waterstand, die kan afwijken van de kaartdiepte. De diepte op de betonning is de minimale gegarandeerde diepte, die wordt bepaald door de vaarwegbeheerder.

Om te weten of je genoeg diepgang hebt om te varen, moet je de volgende formule gebruiken:

diepgang = kaartdiepte + waterstand - veiligheidsmarge

De diepgang is de afstand van de waterlijn tot het diepste punt van je schip. De kaartdiepte is de diepte op de waterkaart. De waterstand is de actuele waterstand op de peilschaal. De veiligheidsmarge is een extra ruimte die je moet aanhouden om te voorkomen dat je de bodem raakt. De veiligheidsmarge hangt af van de omstandigheden, zoals de golfslag, de stroming, de lading en de nauwkeurigheid van de metingen. Een veiligheidsmarge van 10% tot 20% van de diepgang is meestal voldoende.

Bijvoorbeeld, als je een schip hebt met een diepgang van 1,5 meter, en je wilt varen op een kanaal met een kaartdiepte van 3 meter en een waterstand van NAP + 0,5 meter, dan moet je de volgende berekening maken:

diepgang = 3 + 0.5 - veiligheidsmarge

Als je een veiligheidsmarge van 20% aanhoudt, dan is dat 0,3 meter. Dus:

diepgang = 3 + 0.5 - 0.3 = 3.2 meter

Dit betekent dat je genoeg diepgang hebt om te varen, want je diepgang is kleiner dan de beschikbare diepte.

Brughoogte

De brughoogte is de afstand van het wateroppervlak tot de onderkant van de brug. De brughoogte kan worden aangegeven op de waterkaart, op de brug of op de verkeerstekens. De brughoogte op de waterkaart is meestal de gemiddelde hoogwaterstand, die afhankelijk is van het referentiepunt. De brughoogte op de brug of op de verkeerstekens is de actuele hoogte, die kan afwijken van de kaarthoogte.

Om te weten of je genoeg doorvaarthoogte hebt om onder een brug door te varen, moet je de volgende formule gebruiken:

doorvaarthoogte = kaarthoogte - waterstand - veiligheidsmarge

De doorvaarthoogte is de afstand van de waterlijn tot het hoogste punt van je schip. De kaarthoogte is de hoogte op de waterkaart. De waterstand is de actuele waterstand op de peilschaal. De veiligheidsmarge is een extra ruimte die je moet aanhouden om te voorkomen dat je de brug raakt. De veiligheidsmarge hangt af van de omstandigheden, zoals de golfslag, de wind, de lading en de nauwkeurigheid van de metingen. Een veiligheidsmarge van 0,5 meter is meestal voldoende.

Bijvoorbeeld, als je een schip hebt met een doorvaarthoogte van 4 meter, en je wilt onder een brug doorvaren met een kaarthoogte van 6 meter en een waterstand van NAP + 1 meter, dan moet je de volgende berekening maken:

doorvaarthoogte = 6 - 1 - veiligheidsmarge

Als je een veiligheidsmarge van 0,5 meter aanhoudt, dan is dat 0,5 meter. Dus:

doorvaarthoogte = 6 - 1 - 0.5 = 4.5 meter

Dit betekent dat je genoeg doorvaarthoogte hebt om onder de brug door te varen, want je doorvaarthoogte is kleiner dan de beschikbare hoogte.