Luchtdruk

Luchtdruk is de kracht die de lucht uitoefent op een oppervlak. Luchtdruk wordt gemeten in hectopascal (hPa) of millibar (mbar). Hoe hoger je komt, hoe minder lucht er boven je is en hoe lager de luchtdruk is. Luchtdruk kan ook variëren door de temperatuur en de vochtigheid van de lucht. Warme lucht zet uit en wordt lichter, waardoor de luchtdruk daalt. Koude lucht krimpt en wordt zwaarder, waardoor de luchtdruk stijgt. Vochtige lucht bevat waterdamp, die lichter is dan droge lucht, waardoor de luchtdruk ook daalt.

Hoge en lage drukgebieden zijn gebieden waar de luchtdruk respectievelijk hoger of lager is dan de omgeving. Hoge en lage drukgebieden ontstaan door de ongelijke verwarming van de aarde door de zon. De evenaar ontvangt meer zonnestraling dan de polen, waardoor de lucht daar warmer en vochtiger wordt. Deze lucht stijgt op en vormt een lagedrukgebied. De opgestegen lucht stroomt naar de polen toe, waar het afkoelt en daalt. Dit vormt een hogedrukgebied. De luchtdrukgebieden worden ook beïnvloed door de draaiing van de aarde, die de lucht een afwijking naar rechts geeft op het noordelijk halfrond en naar links op het zuidelijk halfrond. Dit wordt de corioliskracht genoemd.

Wind is de horizontale verplaatsing van lucht van een hoge naar een lagedrukgebied. Wind ontstaat door het verschil in luchtdruk tussen twee gebieden. Hoe groter het verschil, hoe harder de wind waait. De windrichting wordt bepaald door de ligging van de hoge en lage drukgebieden en de corioliskracht. De wind waait altijd van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied, maar wordt afgebogen door de corioliskracht. Op het noordelijk halfrond waait de wind met de klok mee om een hogedrukgebied en tegen de klok in om een lagedrukgebied. Op het zuidelijk halfrond is het andersom.

Voor het varen is het belangrijk om de luchtdruk, de windrichting en de windsnelheid te kennen. Deze factoren beïnvloeden de golfhoogte, de stroming, de zeilstand en de koers van de boot. Om de luchtdruk te meten, kun je een barometer gebruiken. Om de windrichting te bepalen, kun je een windvaan, een vlag of een wimpel gebruiken. Om de windsnelheid te schatten, kun je een anemometer gebruiken of letten op de kenmerken van de wind op het water en op het land. De windsnelheid wordt uitgedrukt in knopen (kts) of in de schaal van Beaufort (Bft). De schaal van Beaufort loopt van 0 (windstil) tot 12 (orkaan) en geeft de effecten van de wind op het water en op het land weer.