Uitrusting en inrichting
In Nederland gelden er verschillende regels op verschillende binnenwateren. Veruit het grootste gedeelte valt onder het BPR (binnenvaart politiereglement). Op deze binnenwateren staan geen uitrustingseisen voor kleine schepen (kleiner dan 20 meter), tenzij het gaat om een snelle motorboot (sneller dan 20 km/u). De minimale, wettelijke uitrustingseisen om met een klein schip het water op te mogen zijn het hebben van het geldige Binnenvaartpolitiereglement, digitale of op papier (bijvoorbeeld in ANWB Wateralmanak deel 1), een toeter, en de juiste verlichting.
Toch is het verstandig om voor de eigen veiligheid voor de verzekeringsvoorwaarden een aantal dingen aan boord te hebben. Deze bespreken we hieronder.
Een anker
Wanneer je op het water bent en je krijgt problemen met de motor of de wind valt weg, dan is het belangrijk om te kunnen ankeren. Waar een auto met motorpech van zelf tot stilstand komt, drijft een boot door de wind en stroming weg. Dat kan niet alleen een gevaar voor jezelf zijn, maar ook voor andere schepen en het is bovendien verboden volgens het BPR. Een anker is een zwaar voorwerp dat je overboord gooit om de boot op zijn plaats te houden. Het anker moet zwaar genoeg zijn om de boot op zijn plaats te houden, maar ook weer niet te zwaar dat je het niet meer kan tillen.
Vluchtluiken
In elke afsluitbare verblijfsruimte van het schip hoort een vluchtluik te zitten. Vluchtluiken kunnen in geval van nood worden gebruikt om snel het schip te verlaten, bijvoorbeeld als er brand aan boord is of als de boot dreigt te zinken. Daarom moet je er snel door heen kunnen, ook met je (zeil)kleren nog aan. De openingen hebben een minimale afmeting van 50x50 centimeter en hoger gelegen luiken moeten beschikken over een opstapje.
Vluchtluiken moeten waterdicht zijn. Niet alleen voor regenwater, maar ook voor opspattend water van golven of op zee overslaande golf. Moderne vluchtluiken bestaan uit een aluminium frame met een kunststof kap. Omdat nat kunststof en aluminium erg glad kunnen worden zijn ze vaak ook voorzien van antislip.
Afsluiters
Alle huiddoorvoeren (gaten van binnen in de boot naar buiten) die onder de waterlijn liggen moeten een afsluiter hebben. Dit is een kraantype dat kan worden gebruikt om de toevoer naar binnen of buiten het schip te openen of te sluiten. Deze afsluiter kan gebruikt worden op het moment dat er ergens een lek in het systeem zit dat is aangesloten op de huiddoorvoer. Voor de pleziervaart zijn een kogel- of snelafsluiter het meest geschikt, omdat deze met één handomdraai open of dicht te draaien zijn.
Gebruik voor het bevestigen van slagen op de afsluiters altijd een dubbele roestvaste (RVS of plastic) slangklem. Controleer de afsluiter minimaal 1 keer per jaar, en vervang direct bij (mogelijk) disfunctioneren.
Reling
De reling van een schip moet minimaal 60 centimeter hoog (van af het dek gemeten) zijn. Met kinderen aan boord kan het verstandig zijn om tussen de reling en het dek een net op te hangen. De reling loop bij voorkeur om de hele boot heen. Op een zeilboot is dit niet altijd mogelijk.
Motorboten hebben vaak een reling van ronde stalen buizen en zeiljachten een dubbele draad-reling. Voor de veiligheid moet onbekleed staaldraad een diameter van ten minste 6 millimeter hebben. Omdat staaldraad scherp kan zijn is het verstandig om bekleed staaldraad te gebruiken, hier zit een kunststof coating om heen.
Voetlijst
Een voetlijst is een opstaande rand op het dek van een boot. Deze kan er opgezet zijn of onderdeel zijn van het dek. Deze lijst moet voorkomen dat als je uitglijd en je van het dek af glijdt. Het kan ook helpen met het voorkomen dat onderdelen van boord glijden. Een goede voetlijst is minimaal 2.5 centimeter hoog en wordt alleen onderbroken voor dekbeslag. Dekbeslag is een verzamelnaam van metalen hulpmiddelen die je gebruikt op je boot.
Kuiplozing
Schepen die regelmatig op ruim water en op open zee varen, kunnen veel te maken krijgen met water dat over het dek spoelt. Daarom hebben deze schepen vaak een kuiplozing. Dit is een gat in de kuipvloer waardoor het water dat op het dek is gekomen weer naar buiten kan. Deze kuiplozing moet wel afsluitbaar zijn, zodat er geen water naar binnen kan komen. Om te zorgen dat het water door de kuiplozing wordt afgevoerd, en niet de kajuit in loopt, is het belangrijk om een opstaande rand te hebben voor de ingang van de kajuit.
Lenssysteem
Boten kunnen worden voorzien van een lenssysteem. Dit systeem is bedoeld om water dat in de boot is gekomen weer naar buiten te pompen. Het lens systeem bestaat uit een aanzuigpunt, een pomp en een afvoer.
Het aanzuigpunt van het lens systeem moet zo laag mogelijk in de boot zitten, zodat al het water dat in de boot is gekomen ook weer naar buiten kan. Als de boot uit verschillende compartimenten bestaat, moet elk compartiment zijn eigen aanzuigpunt hebben. Omdat vuil ook mee spoelt met het water naar het laagste punt is het belangrijk om een filter te hebben, zodat het aanzuigpunt niet verstopt raakt.
Antislip
Tijdens het varen kan het dek van een boot nat worden en daardoor erg glad zijn. Dit kan gevaarlijk zijn, zeker als er golven zijn waardoor het schip onverwachtse bewegingen maakt. Daarom is het belangrijk om te zorgen dat je voldoende grip hebt op het dek. Dit kan je doen door (boot)schoenen te dragen met een goed antislip profiel op de zolen. Maar ook het dek van de boot kan voorzien worden van een antislip laag. Dit kan op drie verschillende manieren:
- Antislip verf
- Antislip tape
- Gebruik van materialen met antislip eigenschappen, zoals hout of bepaalde kunststoffen.
Noodbesturing
Het schip wordt gestuurd door een roer dat onder het schip uitsteekt. Daardoor kan het kapot gaan. Bij wielbesturing wordt het roer bediend aan de hand van een stuurwiel en wordt de draaiing van het stuurwiel overgebracht naar het roer aan de hand van een kabel of hydraulisch systeem. Als die overbrenging kapotgaat kan je verder varen met een noodhelmstok. De noodhelmstok kan worden gekoppeld aan de kop van de roerkoning, dat is de as waarom het roerblad draait. De noodhelmstok hoort permanent in de kuipbak of bakskist aanwezig te zijn zodat deze in noodsituaties altijd snel bereikbaar is.
Snelle motorboten (klein schip)
Voor snelle motorboten gelden speciale regels wat betreft de uitrusting van het schip. Snelle motorboten zijn kleine schepen die sneller kunnen varen dan 20 km/ uur (zie hiervoor de definities in het BPR). De schipper is in eerste instantie verantwoordelijk voor de naleving van de uitrustingsvoorschriften, de eigenaar is medeverantwoordelijk.
Verplicht zijn:
- Een motoronderbrekeingsknop: beter bekend als de 'dodemansknop'. Wordt met een draadje aan de pols van de bestuurder vastgemaakt zodat de motor uitslaat wanneer de bestuurder overboord valt. Het risico bestaat dat de boot rondjes gaat draaien en hierbij de bestuurder door diens eigen boot wordt overvaren. Niet verplicht bij gesloten binnenbesturing.
- Reddingsvesten: één per opvarende.
- Een brandblusser: hierover meer in het hoofdstuk brandpreventie.