Waterstanden: dieptes en brughoogtes

De waterstand is de hoogte van het wateroppervlak ten opzichte van een vast referentiepunt, zoals het NAP (Normaal Amsterdams Peil) of het KP (Kanaalpeil). De waterstand kan variëren door verschillende factoren, zoals getijden, wind, neerslag, verdamping en menselijke ingrepen. Het is belangrijk om de waterstand te kennen, omdat dit invloed heeft op de diepte en de brughoogte van het vaarwater.

Het KP is de waterstand die het water onder normale omstandigheden heeft en wordt altijd gegeven ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP). Het NAP is de gemiddelde hoogte van de Noordzee en wordt gebruikt om binnen Nederland hoogtes met elkaar te kunnen vergelijken.

Bij het maken van een kaart gaat de Hydrografische Dienst uit van een gemiddelde waterstand, het kanaalpeil (KP) of stuwpeil (SP). Omdat de waterstanden op de binnenwateren variëren vanwege de getijden of zomer en winterpeil of de hoeveelheid regen, kun je niet zomaar blind varen op de gegevens die op de kaart zijn vermeld.

Als er staat dat de diepte 10 dm is, betekent dat, dat het water bij een ‘gewone’ waterstand 10 dm diep is. In een droge zomer kan het water zomaar een halve meter lager staan waardoor je misschien niet meer veilig door kunt varen. Maar om de hoogte van een brug te bepalen is het net zo belangrijk om te weten of het water hoger of lager staat dan normaal. Als het water hoger staat dan normaal omdat het bijvoorbeeld veel heeft geregend, kun je misschien niet onder een brug door die volgens de kaart hoog genoeg is. Daarom is het een goed idee om voor het wegvaren te weten of het water hoger of lager staat dan normaal en als dat het geval is hoeveel het scheelt. De werkelijke waterstand (WW) kun je aflezen op de peilschalen die langs de kant van veel kanalen staan. De werkelijke waterstanden worden aangegeven ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP).

De werkelijke waterstand is af te lezen op een peilschaal langs de kant. Bij de Frieze Boezem is het KP - 52dm t.o.v. NAP. De WW is op deze afbeelding dus gelijk aan het KP.

Actuele hoogte of diepte berekenen

Als je wilt weten of je ergens kunt varen, moet je de actuele hoogte of diepte berekenen. Dat doe je door de normale hoogte of diepte te vergelijken met de werkelijke hoogte of diepte.

Voorbeeld: Als je met een zeilboot die inclusief mast 120 dm hoog is onder een brug door moet die volgens de kaart 122 dm hoog is, betekent dat niet dat je altijd onder die brug door kunt varen. Want als het water hoger staat dan normaal, kun je er misschien niet onderdoor, ook al is de brug volgens de kaart hoog genoeg. Dat komt door de waterstand op de dag waarop je gaat varen.

Normaal De ‘normale waterstand’ noemen we bij kanalen het Kanaalpeil (KP) en bij rivieren het Stuwpeil (SP). Het kanaalpeil of stuwpeil wordt gegeven ten opzichte van het NAP (de zeespiegel). In het westen van ons land is het kanaalpeil/stuwpeil vaak onder NAP en in het oosten altijd boven NAP. Het kanaalpeil/stuwpeil staat altijd op de waterkaart. In alle vaarwateren staan peilschalen waarop je kunt aflezen wat de werkelijke waterstand is. Als op de waterkaart staat ‘kanaalpeil: NAP + 10’, dan betekent dat dat de gemiddelde waterhoogte NAP + 10 dm is. Om erachter te komen of het water op een bepaalde dag hoger of lager dan ‘normaal’ (KP) is, kijk je op de peilschaal aan het begin van de haven. Als je daar afleest NAP + 26, dan weet je dat je op die dag niet onder de brug door kunt want het water staat 16 dm hoger dan normaal. De ruimte onder de brug is dus geen 91 dm, maar slechts 91 dm min de stijging van 16 dm is 75 dm. Dat is te weinig voor een boot met een hoogte van 90 dm.

Berekeningen

Bij alle hoogte- en diepteberekeningen gaat het om de de vraag: staat het water hoger of lager dan kanaalpeil (KP) en hoeveel hoger of lager. We hebben een aantal examenvraagstukken voor je uitgewerkt.

Voorbeeld 1 Op de waterkaart lees je bij een vaste brug: H 40. De doorvaarthoogte geldt ten opzichte van het kanaalpeil (KP), waarvan gegeven is: KP = NAP - 5 dm. Op de peilschaal bij de brug lees je af dat de werkelijke waterstand (WW) NAP + 1 dm is. Als de maximumhoogte van je schip 32 dm boven water bedraagt, hoeveel dm speling heb je dan onder de brug bij doorvaart?

Uitwerking Het KP is de waterstand NAP - 5 dm. De waterstand NAP + 1 dm. De waterstand is dus 6 dm hoger dan het KP. Dan is de ruimte onder de brug kleiner: geen 40 dm, maar 40 - 6 dm = 34 dm. Je boot is 32 dm hoog, dus hou je 2 dm speling. Je kan veilig onder de brug doorvaren.

Brug: NAP + 35 dmKP: NAP - 5 dmNAP: 0 dmWW: NAP + 1 dm40 dm+6 dm34 dm32 dm

Voorbeeld 2

Voorbeeld 2 In het Merwedekanaal bezuiden de Lek van Vianen naar Arkel bevindt zich een vaste brug. Je wilt met staande mast (hoogte 7,20 meter) onder die brug door. De op de kaart aangegeven brughoogte is: H = 75 en op de kaart staat KP = NAP + 8. Verder weet je dat de waterhoogtes kunnen variëren van NAP + 6 tot NAP + 12. Bij passage van de brug wil je een minimale veiligheidsmarge van 1 dm hebben. Welke maximale waterstand boven NAP moet je aflezen (of navragen) bij de sluis van Vianen om veilig met staande mast onder de vaste brug door te kunnen varen?

Uitwerking Hoeveel mag het water maximaal stijgen om nog net veilig onder de brug door te kunnen? Bij een ‘normale’ waterstand is er 75 dm ruimte onder de brug en om er veilig onderdoor te kunnen heb je 72 dm plus 1 dm speling is 73 dm nodig. Het water mag dus 2 dm stijgen. De ‘normale’ waterstand (KP) is NAP + 8 en daar. Mag nog 2 dm bij en dat is dan een waterstand van NAP + 10.


1 uur, 13 minuten
1 uur, 13 minuten